Nederlandse naam:Grote borstspier
Insertie:
  • Laterale lip van de sulcus intertubercularis van de humerus (crista tuberculi maioris)
Origo:
  • Pars clavicularis: voorzijde van de mediale helft van de clavicula.
  • Pars sternocostalis: voorzijde van het manubrium en corpus sterni en de kraakbenige uiteinden van rib 1‑6.
  • Pars abdominalis: voorste laag van de rectusschede (aponeurose van de m. obliquus externus en m. transversus abdominis).

kracht met richting
De grote borstspier, m. pectoralis major, is meer dan volume of spiermassa. Hij verbindt borstbeen, sleutelbeen en ribben met de bovenarm en vormt zo een directe lijn tussen romp en armfunctie. Bij duwen, dragen of reiken – deze spier levert de kracht. Maar zijn rol gaat verder dan actie: hij stabiliseert de schouder, ondersteunt ademhaling en werkt mee aan houding en spanning in de borstkas.

Verbinding tussen adem, houding en beweging
Een verkorte of overactieve pectoralis beperkt niet alleen schoudermobiliteit, maar beïnvloedt ook je ademcapaciteit en houding. Denk aan opgetrokken schouders, een gesloten borst of een beperkte rotatie in de bovenrug. Andersom kan het openen en verlengen van deze spier direct ruimte geven in je ademhaling en beweging. Activeren, verlengen en integreren is hier de sleutel.

Laat kracht samenwerken met souplesse
Train de pectoralis gericht én functioneel: niet alleen op kracht, maar op samenwerking. Combineer duwbewegingen met rompstabiliteit, ademhaling en scapulacontrole. Werk afwisselend in lengte en spanning, in kracht en coördinatie. Want als de pectoralis niet alleen hard werkt, maar goed meedoet in het geheel, wordt kracht functioneel, adem vrij en beweging veelzeggend.

Grote, waaier‑vormige oppervlakkige spier die de voorzijde van de borst en de voorste okselplooi vormt. De spier heeft een claviculair (pars clavicularis), sternocostaal (pars sternocostalis) en abdominaal deel. Het claviculare deel ontspringt aan de voorzijde van de mediale helft van de clavicula; het sternocostale deel aan het sternum en de kraakbenige uiteinden van de eerste zes ribben; het abdominale deel aan de voorste laag van de rectusschede (aponeurose van de m. obliquus externus). De vezels convergeren lateraal om een smalle pees te vormen die zich hecht aan de laterale lip van de sulcus intertubercularis van de humerus. Door zijn omvangrijke aanhechtingen werkt de pectoralis major als krachtoverdrachtsbrug tussen romp en bovenarm, stabiliseert hij het schoudergewricht en sluit hij de voorste okselwand.

Spierstructuur

Waaier‑vormige, dikke spier met meerdere delen (claviculair, sternocostaal en abdominaal) die convergeren naar een smalle pees. De vezels liggen oppervlakkig en lopen craniolateraal → caudomediaal.

Overwegend type IIa‑vezels voor kracht en explosiviteit, met een aandeel type I voor stabilisatie en uithoudingsvermogen.

De pectoralis major is een volumineuze spier met een gemiddelde dikte van 1 tot 3 cm, bij goed getrainde individuen zelfs oplopend tot 4 à 5 cm. De spiervezels waaieren breed uit vanuit sleutelbeen, borstbeen en ribben en komen samen in een krachtige pees die aanhecht op de bovenarm.

Innervatie

  • Nn. pectorales lateralis en medialis (C5‑T1) – afkomstig uit de plexus brachialis.
  • De laterale pectorale zenuw innerveert voornamelijk het claviculair en bovenste sternocostale deel;
  • de mediale pectorale zenuw innerveert het onderste sternocostale en abdominale deel.

Dagelijks gebruik

  • Duwen en trekken met de armen (opdrukken, roeien, worstelen).
  • Omhelzen, touwklimmen en zwemmen (vlinder, schoolslag).
  • Zwaai-, gooi- en smijtbewegingen zoals bij honkbal, speerwerpen, volleybal.
  • Tillen en dragen van zware objecten dicht bij het lichaam.
  • Ondersteunen van de ademhaling bij geforceerde inspiratie als de armen gefixeerd zijn (handen op knîn).
  • Stabiliseren van schoudergordel en romp bij dagelijkse activiteiten zoals lopen, springen, een rugzak dragen.

Functie

  • Adductie en endorotatie van de bovenarm naar het lichaam (alle delen).
  • Anteflexie van de bovenarm (claviculaire deel) en horizontale adductie (bringing arm voorwaarts en naar binnen).
  • Retroflexie vanuit een geanteflexeerde positie (sternocostale deel) en ondersteuning bij krachtig stoten, trekken of duwen.
  • Depressie en protractie van de scapula, stabilisatie van het schoudergewricht en ondersteuning van houdingscontrole.
  • Hulpademhalingsspier bij geforceerde inspiratie: trekt de ribbenkast omhoog wanneer de armen gefixeerd zijn (bv. handen op knieën bij benauwdheid).

Landmarks

  • Mediale helft van de clavicula, manubrium en corpus sterni en de kraakbenige uiteinden van rib 2‑6.
  • De spier vormt de voorste okselplooi; de laterale rand loopt van de borstkas naar de crista tuberculi maioris in de bovenarm.
  • Palpabel langs de borstwand van het borstbeen tot aan de voorste axillaire plooi en inferior tot de 6e rib.

Uitgangspositie

  • De patiënt ligt in ruglig met de arm langs het lichaam of licht geabduceerd, of zit/staat met de schoudergordel ontspannen.
  • Laat de arm rusten om het claviculair deel te palperen; voor het sternocostale deel kan de arm 90° geabduceerd worden.
  • Vraag de patiënt om zacht tegen weerstand te adduceren of de handen tegen elkaar te duwen om de spier te activeren.

Palperen in beweging

  • Plaats de vingertoppen aan de mediale zijde van de axilla en glijd langs de spierbuik van de pectoralis major naar de humerus.
  • Vraag de patiënt de arm tegen weerstand te adduceren of te anteflecteren, of de handen tegen elkaar te duwen om contractie van de spier te accentueren.
  • Palpeer de claviculair vezels met de arm geabduceerd en de sternocostale vezels met de arm in lichte extensie.
  • Volg de spiervezels naar de voorste okselplooi en naar de crista tuberculi maioris.
  • Pas op om niet te veel druk op de thorax uit te oefenen en vermijd compressie van de pectoralis minor en de neurovasculaire structuren in de oksel.

Palperen in rust

Abductie art. glenohumerale
SpierRolOmschrijving
m. supraspinatus Primair agonist Initieert abductie (0–15°).
m. deltoideus Primair agonist Zijwaarts heffen >15°.
m. infraspinatus Synergist Stabiliseert humeruskop tijdens abductie.
m. subscapularis Synergist Stabiliseert humeruskop tijdens abductie.
m. pectoralis major Antagonist Adductie → werkt abductie tegen.
m. latissimus dorsi Antagonist Adductie/extensie → tegen abductie.
m. teres major Antagonist Adductie → tegen abductie.
m. deltoideus Compenserend Kan meer werk doen bij supraspinatus-zwakte, vaak met schouderophalen.
Adductie art. glenohumerale
SpierRolOmschrijving
m. pectoralis major Primair agonist Krachtige adductor.
m. latissimus dorsi Primair agonist Sterke adductor (klimbewegingen).
m. teres major Primair agonist Werkt mee aan adductie.
m. coracobrachialis Synergist Assisteert bij adductie.
m. deltoideus Antagonist Abductie → tegen adductie.
m. supraspinatus Antagonist Initieert abductie → tegen adductie.
m. latissimus dorsi Compenserend Compenseert bij zwakte van pectoralis major en omgekeerd.
Endorotatie art. glenohumerale
SpierRolOmschrijving
m. subscapularis Primair agonist Belangrijkste endorotator (cuff).
m. pectoralis major Synergist Helpt interne rotatie.
m. latissimus dorsi Synergist Helpt interne rotatie.
m. teres major Synergist Helpt interne rotatie.
m. deltoideus Synergist Helpt (voorste vezels).
m. infraspinatus Antagonist Exorotator → tegen endorotatie.
m. teres minor Antagonist Exorotator → tegen endorotatie.
m. pectoralis major Compenserend Neemt (deels) over bij subscapularis-zwakte (samen met lat/teres major).
Exorotatie art. glenohumerale
SpierRolOmschrijving
m. infraspinatus Primair agonist Belangrijkste exorotator.
m. teres minor Primair agonist Kleine uitwendige rotator.
m. deltoideus Synergist Helpt bij exorotatie (achterste vezels).
m. subscapularis Antagonist Endorotator → tegen exorotatie.
m. pectoralis major Antagonist Endorotator → tegen exorotatie.
m. latissimus dorsi Antagonist Endorotator → tegen exorotatie.
m. infraspinatus Compenserend Kan rol van teres minor overnemen en vice versa.
Extensie art. glenohumerale
SpierRolOmschrijving
m. latissimus dorsi Primair agonist Achterwaarts bewegen van de arm.
m. teres major Primair agonist Werkt samen met latissimus dorsi.
m. deltoideus Primair agonist Achterste vezels leveren extensie (globaal als m deltoideus).
m. triceps brachii Synergist Caput longum helpt schouderextensie.
m. deltoideus Antagonist Voorste vezels heffen arm voorwaarts (flexie).
m. pectoralis major Antagonist Pars clavicularis werkt flexie in de hand.
m. teres major Compenserend Neemt extensie deels over bij latissimus-zwakte.
Flexie art. glenohumerale
SpierRolOmschrijving
m. deltoideus Primair agonist Voorwaarts heffen van de arm.
m. pectoralis major Primair agonist Pars clavicularis ondersteunt flexie tot ~60°.
m. coracobrachialis Synergist Assisteert voorwaartse heffing, stabiliseert humeruskop.
m. biceps brachii Synergist Helpt bij schouderflexie (caput longum).
m. latissimus dorsi Antagonist Krachtige extensor/adductor; remt anteflexie.
m. teres major Antagonist Extensie/adductie; werkt flexie tegen.
m. triceps brachii Antagonist Caput longum helpt extensie → tegen Flexie.
m. biceps brachii Compenserend Kan extra flexie leveren bij zwakte van voorste deltoideus/pectoralis (beperkt).

Instructie

Observatie

Interpretatie

    Instructie

    Observatie

    Interpretatie

    • Negatief:
      Soepele eindstand rotatie + lateroflexie
    • Verkorting SCM:
      stug, vroegtijdig eindpunt
    • Compensatie via thorax of schouders:
      ademhalingshulp / ketenspanning

    Instructie

    Observatie

    Interpretatie

    • Negatief:
      Sterke, gecontroleerde kracht zonder ongemak
    • Zwakte of asymmetrie:
      unilaterale disfunctie
    • Pijn / uitstralingsklachten:
      triggerpoint of overbelasting
    • Tremor of visuele compensatie:
      controleprobleem

    • Overbelasting of verkorting van de m. pectoralis major kan leiden tot een protractie van de schoudergordel en een ronde schouderhouding, met beperkte schouderflexie en ‑abductie.
    • Hypertonie of verkorting kan bijdragen aan subacromiaal impingement en een thoracic outlet syndroom door compressie van de neurovasculaire structuren in de oksel en sulcus intertubercularis.
    • Zwakte of een ruptuur van de spier resulteert in verminderde duw- en trekcapaciteit, moeilijkheden bij het tillen of klimmen en instabiliteit van de schoudergordel.
    • Myofasciale triggerpoints kunnen uitstralende pijn en gevoelloosheid veroorzaken in de borst, voorste schouder, mediale arm of thoracale regio.
    • Een goede balans tussen flexibiliteit en kracht is essentieel om dysfunctie te voorkomen.

    Klachten

    Symptomen

    • Ruptuur of spierverrekking van de m. pectoralis major
      Acuut plotselinge pijn in de voorste borst of schouder na explosieve kracht (bv. bankdrukken, worstelen); zwelling of hematoom in de voorste okselplooi; voelbare deuk of verplaatsing van de spier; aanzienlijk krachtverlies bij anteflexie, adductie en endorotatie; beperkt schouderbereik; pijn bij duwen, omhelzen of diepe ademhaling; herstel door rust, ijs, compressie en geleidelijke fysiotherapie.
    • Hypertonie of verkorting van de m. pectoralis major (ronde schouder, thoracic outlet syndroom)
      Voorwaartse en naar binnen roterende schouders; uitstralende pijn, tintelingen of gevoelloosheid in arm en hand door compressie van plexus brachialis en arterie subclavia; beperkte schouderabductie en -extensie; mogelijk hoofdpijn, nek- of borstpijn; verkorte spier voelbaar als strakke band; klachten verbeteren door stretchen van de pectoralis major, versterken van scapulastabilisatoren en houdingscorrectie.

    Verergerend

    Verlichtend

    Observaties