| m. supraspinatus |

| Nederlandse naam: | Bovendoornspier |
| Insertie: |
|
| Origo: |
|
| TA98: | TA2: | FMA: |
Initiator van schouderbeweging
De supraspinatus ligt bovenop het schouderblad en vormt samen met drie andere spieren de rotator cuff. Zijn hoofdtaak: het initiëren van armabductie – de eerste 15 graden van zijwaartse armheffing – én het centreren van de schouderkop in de kom. Klein van stuk, maar essentieel voor een veilige en gecontroleerde start van elke armbeweging.
Startkracht en stabiliteit in één
De supraspinatus is vaak betrokken bij overbelasting of impingementklachten. Bij onvoldoende samenwerking met de andere cuff-spieren of bij verstoring van scapulasturing raakt hij snel overprikkeld. Dan ontstaat er compressie in het schoudergewricht en gaat kracht verloren in de start van de beweging. Herstel begint bij het verfijnen van timing en het verbeteren van de balans binnen het schoudercomplex.
Train op aansturing, niet op omvang
Activeer de supraspinatus met lage weerstand, gecontroleerde abductie en optimale scapulapositie. Vermijd compenseren met nek of bovenarm en werk vanuit coördinatie, niet kracht. Want als deze spier zijn subtiele taak goed uitvoert, ontstaat er ruimte in het gewricht, stabiliteit in de beweging – en vertrouwen in elke start van schouderactiviteit.
De m. supraspinatus is een kleine, driehoekige spier bovenop het schouderblad, gelegen in de fossa supraspinata boven de spina scapulae. Hij maakt deel uit van de rotator cuff en loopt onder het acromion door naar de bovenste facet van het tuberculum majus van de humerus. De spier stabiliseert het glenohumerale gewricht en initieert de abductie van de arm (ongeveer de eerste 15°) voordat de m. deltoideus het overneemt. Door zijn ligging onder de subacromiale ruimte is de pees .
Spierstructuur
Kleine, fusiforme spier met brede oorsprong en een taps toelopende pees. De vezels zijn kort en geordend in meerdere pennate bundels die samenkomen op een centrale pees.
Het weefsel bestaat overwegend uit type I‑vezels voor tonische stabiliteit, aangevuld met type IIa‑vezels voor snelle krachtopbouw bij het starten van abductie.
De stevige pees loopt door de subacromiale ruimte en wordt beschermd door de subacromiale slijmbeurs.
Innervatie
- n. suprascapularis (C5‑C6, soms C4) afkomstig uit de truncus superior van de plexus brachialis.
- Zenuw verzorgt zowel de m. supraspinatus als de m. infraspinatus.
Dagelijks gebruik
- Opsteken van de arm om voorwerpen van een plank te pakken of iets aan te reiken.
- Aan- en uittrekken van kleding zoals jassen en shirts, haren kammen en reiken achter het hoofd.
- Gooien en serveren bij balsporten (tennis, volleybal, honkbal) of zwemmen.
- Optillen en dragen van boodschappen of dozen boven schouderhoogte.
- Werken boven het hoofd zoals ramen lappen, schilderen of gordijnen ophangen.
- Stabiel houden van de schoudergordel bij het dragen van een rugzak of tas.
Functie
- Initieert de abductie van de arm en heft de humerus ongeveer de eerste 15°; werkt daarna samen met de m. deltoideus voor verdere abductie.
- Houdt het caput humeri stabiel tegen het glenoid en voorkomt inferior glijden tijdens bewegingen (concave compressie).
- Draagt bij aan stabilisatie van het schoudergewricht samen met de overige rotator‑cuffspieren tijdens alle armbewegingen.
- Ondersteunt het scapulo‑humerale ritme door een gelijkmatige verdeling van krachten tussen humerus en scapula.
Landmarks
- Spina scapulae: voel de benige rand boven op de scapula en volg deze naar lateraal tot het acromion.
- Fossa supraspinata: de ruimte boven de spina scapulae waarin de spierbuik ligt (bedekt door m. trapezius).
- Acromion en tuberculum majus: de supraspinatuspees loopt onder het acromion naar de bovenkant van het tuberculum majus.
Uitgangspositie
- Patiënt zit of staat met de arm ontspannen langs het lichaam of licht naar achter met de hand op de onderrug.
- De schouder wordt licht geïnterneerd en geadduceerd zodat de supraspinatuspees onder het acromion bereikbaar is.
- De therapeut staat achter of naast de patiënt met toegang tot de scapulaire regio.
Palperen in beweging
- Plaats vingers boven de spina scapulae en glijd in de fossa supraspinata; laat de patiënt de arm zachtjes 15° abducteren tegen lichte weerstand om de spierbuik te voelen aanspannen.
- Om de pees te palperen: breng de arm in lichte extensie en interne rotatie zodat het tuberculum majus zich onder het acromion toont; plaats de duim net onder het anterolaterale randje van het acromion en voel een strakke band wanneer de patiënt de arm abducteert.
- Beweeg de schouder voorzichtig in en uit abductie om de pees onder de vingers te voelen glijden; noteer gevoeligheid of crepitaties bij tendinopathie of ruptuur.
Palperen in rust
Abductie art. glenohumerale
| Spier | Rol | Omschrijving | |
|---|---|---|---|
| m. supraspinatus | Primair agonist | Initieert abductie (0–15°). | |
| m. deltoideus | Primair agonist | Zijwaarts heffen >15°. | |
| m. infraspinatus | Synergist | Stabiliseert humeruskop tijdens abductie. | |
| m. subscapularis | Synergist | Stabiliseert humeruskop tijdens abductie. | |
| m. pectoralis major | Antagonist | Adductie → werkt abductie tegen. | |
| m. latissimus dorsi | Antagonist | Adductie/extensie → tegen abductie. | |
| m. teres major | Antagonist | Adductie → tegen abductie. | |
| m. deltoideus | Compenserend | Kan meer werk doen bij supraspinatus-zwakte, vaak met schouderophalen. |
Adductie art. glenohumerale
| Spier | Rol | Omschrijving | |
|---|---|---|---|
| m. pectoralis major | Primair agonist | Krachtige adductor. | |
| m. latissimus dorsi | Primair agonist | Sterke adductor (klimbewegingen). | |
| m. teres major | Primair agonist | Werkt mee aan adductie. | |
| m. coracobrachialis | Synergist | Assisteert bij adductie. | |
| m. deltoideus | Antagonist | Abductie → tegen adductie. | |
| m. supraspinatus | Antagonist | Initieert abductie → tegen adductie. | |
| m. latissimus dorsi | Compenserend | Compenseert bij zwakte van pectoralis major en omgekeerd. |
Instructie
Observatie
Interpretatie
Instructie
Observatie
Interpretatie
-
Negatief:Soepele eindstand rotatie + lateroflexie
-
Verkorting SCM:stug, vroegtijdig eindpunt
-
Compensatie via thorax of schouders:ademhalingshulp / ketenspanning
Instructie
Observatie
Interpretatie
-
Negatief:Sterke, gecontroleerde kracht zonder ongemak
-
Zwakte of asymmetrie:unilaterale disfunctie
-
Pijn / uitstralingsklachten:triggerpoint of overbelasting
-
Tremor of visuele compensatie:controleprobleem
- De supraspinatus is de meest kwetsbare rotatorcuffspier.
- Herhaald bovenhands gebruik (sporten, tillen) en leeftijdsgebonden degeneratie kunnen leiden tot tendinopathie, bursitis of partiele/volledige ruptuur van de pees. Kenmerken zijn pijn aan de boven- en laterale schouder, nachtelijke pijn en moeite om de arm te heffen.
- Subacromiaal impingementsyndroom ontstaat door inklemming van de supraspinatuspees en bursa tussen acromion en humeruskop, vaak met calcificaties.
- Neuropathie van de n. suprascapularis veroorzaakt atrofie en zwakte van supra- en infraspinatus.
- Bij volledige ruptuur is actieve abductie onmogelijk en treedt compensatie door m. deltoideus en trapezius op; chirurgische reparatie is soms vereist.
Klachten
Symptomen
-
Supraspinatus tendinopathie of partiele scheurPijn bij de painful arc van abductie (ca. 60-120°), nachtelijke schouderpijn, crepitaties en krachtsverlies; lokale drukpijn over de subacromiale ruimte en positieve Neer/Hawkins tests.
-
Volledige ruptuur of impingement syndroomOnvermogen om de arm te abducteren zonder compensatie, duidelijke zwakte en atrofie, schouderophalen door deltoideus/trapezius, pijn bij passieve abductie, positieve drop-arm test; bij impingement scherpe pijn bij bovenhands bewegen en beperkte ROM.
Verergerend
Verlichtend
Observaties
