| m. piriformis |

| Nederlandse naam: | peervormige spier |
| Insertie: |
|
| Origo: |
|
| TA98: | TA2: | FMA: |
Diepe draaier en stabilisator
De piriformis ontspringt aan het heiligbeen en loopt door het foramen ischiadicum majus naar de trochanter major van het dijbeen. Hij zorgt voor exorotatie van de heup in neutrale positie en draagt bij aan abductie bij gebogen heup. Daarnaast stabiliseert hij de heupkop in de kom en ondersteunt hij het bekken tijdens dynamische belasting.
Schakel in de diepe heupketen
De piriformis werkt nauw samen met de andere diepe exorotatoren en speelt een rol in de overdracht van kracht tussen romp en benen. Bij overmatige spanning of verkorting kan hij de ischiadicus (nervus ischiadicus) irriteren, wat pijn of tintelingen naar het been kan veroorzaken – het bekende piriformis-syndroom. Balans en mobiliteit zijn daarom cruciaal voor een goed functionerende spier.
Controle door samenwerking
Effectieve training van de piriformis richt zich op coördinatie en samenwerking met gluteusspieren en rompstabiliteit. Mobiliteitsoefeningen, gecontroleerde rotatie en éénbenige stabiliteit geven ruimte in de heup en verlichten de druk op het bekken en de lage rug.
De m. piriformis is een platte, kegelvormige spier in het diepe bilgebied. Hij ontspringt aan het ventrale oppervlak van het sacrum tussen de 2e en 4e sacrale foramina en loopt lateraal via het foramen ischiadicum majus naar de mediale bovenrand van de trochanter major. De piriformis verdeelt het foramen ischiadicum majus in een supra‑ en infrapiriforme opening en vormt samen met de m. obturator internus en de mm. gemelli een functionele eenheid van diepe exorotatoren. Hij is belangrijk voor laterale rotatie van het femur, abductie van de heup wanneer deze gebogen is en stabilisatie van het heup‑ en sacro‑iliacale gewricht. Door zijn ligging kan hypertrofie of spasme van de piriformis de n. ischiadicus comprimeren (piriformis‑syndroom).
Spierstructuur
De piriformis is een driehoekige tot peervormige spier die diep onder de gluteus maximus ligt. Hij behoort tot de groep van korte exorotatoren en werkt functioneel samen met m. obturator internus en mm. gemelli.
De spier bevat een mix van type I‑vezels voor posturale stabiliteit en type II‑vezels voor krachtige rotatie.
De piriformis is een relatief smalle, peervormige spier met een dikte van gemiddeld 8 tot 12 millimeter. Door zijn ligging diep in het bekken en zijn nauwe relatie met de nervus ischiadicus is hij klein van omvang, maar groot in invloed op heupfunctie en bewegingsvrijheid.
Innervatie
- n. piriformis (S1, S2 soms ook L5)
Dagelijks gebruik
- Wandelen en lopen met richtingsveranderingen (bij snelle rotaties van het been).
- Traplopen en opstappen.
- Opstaan uit een stoel of hurkzit.
- Gekruist zitten en het been over het andere been leggen.
- Staan op één been (bijv. bij balansactiviteiten).
- Sporten zoals tennis, dans of schaatsen die snelle exorotatie of laterale beweging vereisen.
Functie
- Exorotatie van het femur – belangrijkste laterale rotator in neutrale heupstand.
- Abductie van de heup bij 60‑90° flexie – abducteert wanneer de heup gebogen is.
- Endorotatie van de heup bij >90° flexie en stabilisatie van het heup‑ en sacro‑iliacale gewricht.
- Bilateraal helpt de spier bij sacrumretroversie en bekkenstabilisatie; unilateraal controleert hij de bekkenrotatie tijdens het lopen.
Landmarks
- Trek een denkbeeldige lijn tussen de spina iliaca posterior superior (SIPS) en de bovenrand van de trochanter major; de m. piriformis loopt hier diep onder m. gluteus maximus door.
- Palpeer de posterolaterale rand van het sacrum ter hoogte van de sacrale foramina
- Volg deze lijn lateraal om de begrenzing van de spier te bepalen.
Uitgangspositie
- Laat de patiënt in buiklig met het been gestrekt en het kniegewricht ongeveer 90° gebogen of in zijlig met de heup licht geflecteerd zodat de bilspieren ontspannen zijn.
- Een alternatieve houding is ruglig met de heup in flexie en adductie en het been over de rand van de bank.
- Deze posities maken het mogelijk om de piriformis zonder spanning te palperen.
Palperen in beweging
- Plaats je vingers of duimen diep onder de m. gluteus maximus langs de denkbeeldige lijn tussen de SIPS en de trochanter major.
- Druk door de bilspier heen tot je een gespannen band voelt.
- Vraag de patiënt om het been naar buiten te draaien (exoroteren) of de heup te abducteren bij 60°‐90° flexie om de piriformis bewust aan te spannen.
- Je voelt hoe de spier verkort en ontspant; volg deze contractie om de looprichting te bepalen.
- Wees voorzichtig met de druk en vermijd overmatige compressie van de n. ischiadicus.
Palperen in rust
Endorotatie art. coxae
| Spier | Rol | Omschrijving | |
|---|---|---|---|
| m. gluteus medius | Primair agonist | Voorste vezels endoroteren. | |
| m. gluteus minimus | Primair agonist | Voorste vezels endoroteren. | |
| m. tensor fasciae latae | Synergist | Helpt endorotatie. | |
| m. gluteus maximus | Antagonist | Uitwendige rotator. | |
| m. piriformis | Antagonist | Uitwendige rotator (in extensie). | |
| m. tensor fasciae latae | Compenserend | Neemt deels endorotatie over bij zwakke voorste gluteusvezels. |
Exorotatie art. coxae
| Spier | Rol | Omschrijving | |
|---|---|---|---|
| m. gluteus maximus | Primair agonist | Krachtige exorotator. | |
| m. piriformis | Primair agonist | Uitwendige rotator/stabilisator. | |
| m. sartorius | Synergist | Helpt exorotatie met flexie/abductie. | |
| m. adductor magnus | Synergist | Posterior vezels kunnen exorotatie ondersteunen. | |
| m. tensor fasciae latae | Antagonist | Endorotator/abductor. | |
| m. gluteus medius | Antagonist | Voorste vezels endoroteren. | |
| m. gluteus minimus | Antagonist | Voorste vezels endoroteren. | |
| m. piriformis | Compenserend | Overactief bij gluteus-zwakte (piriformis-syndroom). |
Instructie
Observatie
Interpretatie
Instructie
Observatie
Interpretatie
-
Negatief:Soepele eindstand rotatie + lateroflexie
-
Verkorting SCM:stug, vroegtijdig eindpunt
-
Compensatie via thorax of schouders:ademhalingshulp / ketenspanning
Instructie
Observatie
Interpretatie
-
Negatief:Sterke, gecontroleerde kracht zonder ongemak
-
Zwakte of asymmetrie:unilaterale disfunctie
-
Pijn / uitstralingsklachten:triggerpoint of overbelasting
-
Tremor of visuele compensatie:controleprobleem
- Overbelasting of hypertonie van de m. piriformis kan leiden tot het piriformissyndroom waarbij de n. ischiadicus wordt ingeklemd. Symptomen zijn diepe bilpijn, brandende pijn, paresthesieën en mogelijk krachtsverlies in het been.
- Myofasciale triggerpoints in de spier veroorzaken lokale drukpijn met uitstraling naar het heupgewricht en de dorsale dij.
- Zwakte of inactiviteit leidt tot verminderde exorotatie en abductie van de heup en instabiliteit van het bekken tijdens lopen.
- Anatomische variaties in de spier of het verloop van de n. ischiadicus verhogen het risico op compressie.
Klachten
Symptomen
-
Piriformis-syndroomDiepe pijn in bil met uitstraling naar het been; gevoelloosheid of tintelingen langs de n. ischiadicus; verergering bij langdurig zitten, autorijden, traplopen of hardlopen; mogelijk krachtsverlies in het been; verlichting door rekken van piriformis en abductoren.
-
Triggerpoint of myofasciale pijnLokale drukpijn in de diepe bil met uitstraling naar heup en dorsale dij; stijfheid en verminderde exorotatie/abductie; verergering na lang zitten of autorijden; pijn bij opstaan uit stoel of traplopen; druk op triggerpoint reproduceert de klacht.
Verergerend
Verlichtend
Observaties
