Nederlandse naam:Kleine borstspier
Insertie:
  • mediale rand en de bovenste oppervlakte van het processus coracoideus van de scapula.
  • Sommige vezels blenden met de fascie langs de bovenrand van de processus coracoideus.
Origo:
  • Ontspringt met drie slips aan de voorvlakken en ribkraakbeenderen van de 3e, 4e en 5e rib (soms 2e–5e rib).
  • De oorsprong bevindt zich net lateraal van de costochondrale overgang en langs de bovenrand van deze ribben.

stille sturende kracht
De pectoralis minor ligt diep onder de pectoralis major en loopt van de derde tot en met de vijfde rib naar het ravenbeksuitsteeksel (processus coracoideus) van het schouderblad. Zijn taak: het naar voren en omlaag trekken van de scapula en het ondersteunen van ademhaling bij diepe inademing. Klein van omvang, maar functioneel een sleutelspier in scapulasturing en borstkasbeweging.

Schakel tussen borstkas en schoudergordel
De spier werkt als stabilisator en geeft richting aan de positie van de scapula. Bij een te strakke of verkorte pectoralis minor kantelt het schouderblad naar voren, wat de schoudermobiliteit beperkt en vaak leidt tot een gesloten houding. Functionele lengte en timing van deze spier zijn daarom cruciaal voor vrije arm- en borstkasbeweging.

Meer ruimte door balans
Wanneer de pectoralis minor in balans meedoet, ondersteunt hij een stabiele maar toch beweeglijke schoudergordel en vergroot hij de ademcapaciteit. Training richt zich niet op kracht, maar op mobiliteit, ademregulatie en samenwerking met de serratus anterior en rompspieren. Zo krijgt de borstkas ruimte en de schouder vrijheid.

m. pectoralis minor is een platte, driehoekige spier die onder de m. pectoralis major ligt in de voorste schoudergordel. Ze ontstaat met drie slips op de voorzijde en het kraakbeen van de 3e tot 5e rib en loopt omhoog en lateraal om te eindigen op de mediale rand en het processus coracoideus van de scapula. De spier trekt de scapula anteroinferieur (naar voren en beneden) en fixeert deze tegen de thorax; bij gefixeerde scapula heft zij de ribben en werkt ze als hulpademhalingsspier. De innervatie komt hoofdzakelijk van de nervus pectoralis medialis (C8‑T1) met vezels van de nervus pectoralis lateralis, wat zorgt voor een segmentale wortelvoorziening van C5‑T1.

Spierstructuur

De spier is dun en waaiervormig met drie afzonderlijke kopjes die samenkomen tot een platte pees.

Hij bestaat voornamelijk uit langzaam samentrekkende type‑I vezels voor posturale stabilisatie en een kleiner aandeel snelle type‑II vezels die krachtig de scapula kunnen omlaag en naar voren trekken. De vezels lopen min of meer parallel en vormen ter hoogte van het processus coracoideus een aponeurotische pees.

De pectoralis minor is een driehoekige, platte spier met een gemiddelde dikte van 5 tot 8 millimeter. Ondanks zijn geringe omvang is zijn invloed groot, doordat hij direct aanhecht op het schouderblad en zo de positie en dynamiek van de hele schoudergordel beïnvloedt.

Innervatie

  • n. pectoralis medialis (C8‑T1) .
  • n. pectoralis lateralis;
  • de segmentale wortels variëren van C5‑T1

Dagelijks gebruik

  • Helpt de schoudergordel naar voren en beneden te trekken bij handelingen zoals reiken naar de grond of voorover buigen om iets op te pakken.
  • Stabiliseert het schouderblad tijdens duwbewegingen zoals push‑ups, borstdrukken en het dichtdoen van een zware deur.
  • Ondersteunt bij diepe ademhaling door bij gefixeerde schouder de ribben te liften (accessoire inademingsspier).
  • Houdt de scapula op zijn plaats tijdens het dragen van tassen, een rugzak of bij het lopen met krukken.
  • Draagt bij aan een ronde schouderhouding bij langdurig zitten achter een computer of bureau.

Functie

  • Trekt het schouderblad anteroinferieur (protractie en depressie).
  • Stabiliseert de scapula tegen de thoraxwand als posturale spier.
  • Bevordert neerwaartse rotatie van het glenoïd tijdens neerwaartse armbewegingen
  • Bij gefixeerde scapula heft hij de ribben en werkt als hulpademhalingsspier.

Landmarks

Processus coracoideus van de scapula (voorzijde schouder), de voorzijde van de 3e tot 5e rib ter hoogte van de costochondrale overgang en de rand van de fossa infraclavicularis.

Uitgangspositie

Patiënt in ruglig of rechtop zittend met de armen ontspannen langs het lichaam. Laat de arm eventueel licht geflecteerd of de hand op de heup leggen om de m. pectoralis major te ontspannen en toegang te krijgen tot de dieper gelegen m. pectoralis minor.

Palperen in beweging

Plaats de vingertoppen onder de m. pectoralis major, net inferieur aan de processus coracoideus, en schuif ze naar de ribwand. Vraag de patiënt de schouder licht naar voren en naar beneden te bewegen of diep in te ademen. Onder je vingers voel je een strakke peesachtige band die van de costochondrale overgangen van rib 3‑5 naar de processus coracoideus loopt; dit is de m. pectoralis minor.

Palperen in rust

Depressie Scapula
SpierRolOmschrijving
m. trapezius pars ascendens Primair agonist Schouderblad omlaag.
m. pectoralis minor Primair agonist Depressie/anterieure tilt.
m. serratus anterior Synergist Onderste vezels helpen depressie bij protractie.
m. latissimus dorsi Synergist Kan via gefixeerde arm de scapula naar beneden trekken.
m. trapezius pars descendens Antagonist Heft scapula (elevatie).
m. levator scapulae Antagonist Heft scapula (elevatie).
Elevatie Scapula
SpierRolOmschrijving
m. trapezius pars descendens Primair agonist Optrekken schouders.
m. levator scapulae Primair agonist Heft scapula.
m. rhomboideus Synergist Helpen retractie + lichte elevatie.
m. trapezius pars ascendens Antagonist Trekt scapula omlaag.
m. pectoralis minor Antagonist Trekt scapula omlaag/anterieur.
m. levator scapulae Compenserend Neemt over bij zwakke bovenste trapezius (schouderophalen).
Laterorotatie Scapula
SpierRolOmschrijving
m. trapezius pars descendens Primair agonist Opwaartse rotatie, bovenste deel van koppel.
m. trapezius pars ascendens Primair agonist Opwaartse rotatie, onderste deel van koppel.
m. serratus anterior Primair agonist Draait inferiore hoek naar lateraal/omhoog.
m. levator scapulae Antagonist Neerwaartse rotatie.
m. rhomboideus Antagonist Neerwaartse rotatie.
m. pectoralis minor Antagonist Anterior tilt/neerwaartse rotatie.
m. trapezius pars descendens Compenserend Bij zwakke serratus: shrugging i.p.v. rotatie.
Mediorotatie scapula
SpierRolOmschrijving
m. levator scapulae Primair agonist Neerwaartse rotatie.
m. rhomboideus Primair agonist Neerwaartse rotatie + retractie.
m. pectoralis minor Synergist Anterior tilt/mediorotatie.
m. trapezius pars descendens Antagonist Upward rotator.
m. trapezius pars ascendens Antagonist Upward rotator.
m. serratus anterior Antagonist Upward rotator.
m. rhomboideus Compenserend Nemen retractie/mediorotatie over bij zwakke onderste trapezius.
Protractie Scapula
SpierRolOmschrijving
m. serratus anterior Primair agonist ‘Boxer’s muscle’; scapula naar voren/lateraal.
m. pectoralis minor Synergist Trekt scapula anterieur/caudaal.
m. trapezius pars transversus Antagonist Retractie → tegen protractie.
m. rhomboideus Antagonist Retractie → tegen protractie.
m. pectoralis minor Compenserend Compenseert bij zwakke serratus → anterior tilt/winging.
Retractie Scapula
SpierRolOmschrijving
m. trapezius pars transversus Primair agonist Trekt scapula mediaal.
m. rhomboideus Primair agonist Retractie met lichte elevatie.
m. trapezius pars descendens Synergist Werkt mee als deel van retractiekoppel.
m. trapezius pars ascendens Synergist Werkt mee als deel van retractiekoppel.
m. serratus anterior Antagonist Protractie → tegen retractie.
m. pectoralis minor Antagonist Protractie/anterior tilt.
m. trapezius pars transversus Compenserend Neemt over bij zwakke rhomboïdeï (maar minder neerwaartse rotatie).

Instructie

Observatie

Interpretatie

    Instructie

    Observatie

    Interpretatie

    • Negatief:
      Soepele eindstand rotatie + lateroflexie
    • Verkorting SCM:
      stug, vroegtijdig eindpunt
    • Compensatie via thorax of schouders:
      ademhalingshulp / ketenspanning

    Instructie

    Observatie

    Interpretatie

    • Negatief:
      Sterke, gecontroleerde kracht zonder ongemak
    • Zwakte of asymmetrie:
      unilaterale disfunctie
    • Pijn / uitstralingsklachten:
      triggerpoint of overbelasting
    • Tremor of visuele compensatie:
      controleprobleem

    Een verkorte of hypertonische m. pectoralis minor kan leiden tot een vooroverhangende schoudergordel en protractie van de scapula, waardoor de schouderfunctie vermindert en neurovasculaire structuren in de thoracic outlet gecomprimeerd worden (thoracic outlet syndroom). Overbelasting en slechte houding veroorzaken myofasciale triggerpoints met uitstraling naar voorzijde schouder en arm. Zwakte of inhibitie van de spier vermindert scapulaire stabiliteit en protractie, wat bijdraagt aan scapulaire dyskinesie en pijn bij duwbewegingen.

    Klachten

    Symptomen

    • Thoracic outlet syndroom (pectoralis minor syndroom)
      Compressie van plexus brachialis en/of a. en v. axillaris door een verkorte m. pectoralis minor geeft uitstralende pijn, tintelingen en gevoelloosheid in arm en hand, verminderde kracht en koude paresthesieën; klachten verergeren bij abductie en protractie van de schouder.
    • Myofasciale triggerpoints / overbelasting
      Lokaal drukkende of stekende pijn diep onder de clavicula en in de voorzijde van schouder en borst, met uitstralende pijn naar de mediale zijde van de arm; toegenomen spierspanning, verstoorde scapulaire bewegingen en beperkte schouderelevatie bij overbelasting of langdurig voorovergebogen houding.

    Verergerend

    Verlichtend

    Observaties